Hoogbegaafd zijn: leuk of écht niet!?

Een tijdje geleden hield ik ergens een praatje over hoogbegaafdheid. Ik vroeg de mensen, een gemêleerde groep, daar: “Wie zou wel eens hoogbegaafd willen zijn?” Het bleef angstvallig stil, mensen keken wat naar elkaar. Toen hoorde ik vlakbij me een voorzichtig ‘soms’. “Oké, wie zou soms wel hoogbegaafd willen zijn?” Een enkele vinger ging omhoog. “Waarom zou je dit willen?” De vrouw die ik de beurt gaf, vertelde dat ze het fijn zou vinden om meer te kunnen denken over dingen, dieper door denken. Weer een ander gaf aan dat ze het soms fijn zou vinden om meer te weten over onderwerpen. Om een beetje te peilen of deze groep nu gewoon wat stil en mak was of werkelijk bijna allemaal bewust hun vinger niet hadden opgestoken stelde ik nog een vraag: “Wie heeft heel bewust geen vinger omhoog gedaan, omdat hij of zij écht NIET hoogbegaafd zou willen zijn?” Ik dacht het al… weer maar een enkele vinger. Een man vertelde: “Ik ken iemand die hoogbegaafd is en ik merk dat hij het soms echt moeilijk heeft. Ik zou niet anders willen zijn.”

Nu wist ik nog niet zeker wat de rest van de groep dacht. Gingen ze gewoon mee met de rest, wisten ze het niet goed, of waren ze gewoon echt neutraal qua mening?

Een aantal jaren geleden dachten de meeste mensen nog wél dat hoogbegaafd zijn vooral leuk is. Inmiddels is er steeds meer bekend over hoogbegaafdheid en wordt ook de andere kant gezien. Maar weet men genoeg om werkelijk een antwoord te kunnen geven op mijn vraag? Ik denk van niet. De reactie van de groep liet dit al zien toen ik hen vertelde dat één derde van de volwassen hoogbegaafden in de psychiatrie zit en ook toen ik vertelde dat ik diezelfde week nog hoogbegaafde kinderen had gesproken die mij hadden gezegd dat ze liever niet hoogbegaafd zouden zijn. Hoewel ik dus een rustige groep voor me had, zag ik wel enigszins geschokte en verbaasde gezichten. In dit geval gebruikte ik het gegeven dat hoogbegaafde kinderen het echt heel moeilijk kunnen hebben, om daarmee aan te geven dat een beleid op en aandacht voor hoogbegaafdheid zeer belangrijk is. Want het was een groep met allerlei verschillende ouders en leerkrachten die niet allemaal kennis hadden over hoogbegaafdheid. En ik vond het belangrijk dat ook ouders van kinderen die niet hoogbegaafd zijn, begrijpen dat het niet een elitegroepje is die door een hoge intelligentie recht hebben op allerlei leuke activiteiten en extra aandacht. Want dat wordt nog steeds wél heel veel gedacht. Aan de ene kant is dat logisch aangezien veel scholen nog beter moeten leren communiceren over waarom ze wat doen voor kinderen die passend onderwijs nodig hebben. Aan de andere kant merk ik zelf ook dat het lastig kan zijn om hier goed over te communiceren. Want hoe meer er wordt bericht over hoogbegaafdheid, hoe meer het beeld bevestigd lijkt te worden dat deze groep kinderen meer aandacht krijgt dan het gemiddelde kind. Natuurlijk beseffen ouders vaak niet hoeveel uren per dag het gemiddelde kind eigenlijk de aandacht van de leerkracht krijgt ten opzichte van het hoogbegaafde kind. Hoeveel uren per week het hoogbegaafde kind al zelfstandig aan het werk is, terwijl het gemiddelde kind nog gezellig meedoet met de instructie met de leerkracht. Of zelfs, nog gezelliger, soms aan de instructietafel mogen zitten. “Gezellig? Dat vindt mijn kind echt niet gezellig hoor? Die heeft liever dat ‘ie alles snapt!” zullen veel ouders zeggen. Maar ik bedoel natuurlijk vanuit het hoogbegaafde kind gezien. Voor hem of haar is dat een momentje gezellig aandacht krijgen van juf of meester.

Terug naar of hoogbegaafd zijn nu leuk is of niet. Het is toch eigenlijk heel erg dat zoveel kinderen het liever niet zouden zijn? Dat het ze zoveel ellende brengt? Terwijl ze zoveel prachtige talenten hebben waar ze zóveel mee kunnen doen. Maar… dan komt het… MITS het op de juiste manier begeleid wordt. En een écht juiste manier… het is maar de vraag of die bestaat in Nederland. Want we zitten nu eenmaal vast in een onderwijssysteem waar moeilijk van los te komen is. Sommige scholen komen een eind, maar uiteindelijk zullen leerlingen altijd in een soort keurslijf moeten blijven die soms totaal niet past. Maar dat geldt natuurlijk niet alleen voor hoogbegaafde leerlingen, maar voor allen die op een andere manier leren dan wij op scholen aanbieden.

En hoe zit het dan met volwassen hoogbegaafden, die niet meer vast zitten aan een onderwijssysteem? Helaas kun je dat niet helemaal loskoppelen, want zij hebben vaak wel schade opgelopen in dat systeem waar ze vroeger in zaten. Een systeem die voor velen nog vele malen erger was dan het nu is. Bovendien lopen velen in hun werk tegen dezelfde problemen aan als kinderen tegenwoordig op school. Toch zijn er echt wel gelukkige hoogbegaafden die blij zijn met hun hoogbegaafdheid. Die zien dat ze mooie mensen zijn met mooie talenten. Dat ze zuinig en dankbaar mogen zijn op die aspecten waar ze extra in uitblinken. Profijt hebben ook van hun kwaliteiten. En nu is het onze taak om onze kinderen met een laag zelfbeeld ditzelfde mee te geven, ondanks het type onderwijs waar ze in zitten. Zodat zij mogen gaan voelen dat ze anders zijn, maar mooi anders en bijzonder anders! Want uiteindelijk gaat het er niet om wat andere mensen vinden van hoogbegaafdheid, maar gaat er om dat de hoogbegaafde kinderen en volwassenen zélf tevreden en blij kunnen zijn met wie ze zijn. Dat is het allerbelangrijkste!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *